Spelregels
Een officiële wedstrijd duurt 2 maal 15 minuten, met een pauze van 3 minuten. Een wedstrijd wordt aangevangen met een startpuck. De puck ligt op de middenstip en alle spelers dienen hun eigen doellijn aan te raken. Op het signaal van de scheidsrechter mogen beide partijen de doellijn loslaten en mag de puck gespeeld worden. Deze start wordt herhaald na ieder doelpunt. Een team bestaat uit tien spelers, waarvan er zich ten hoogste zes tegelijk in het water mogen bevinden. Een wedstrijd kan slechts dan beginnen wanneer per team ten minste vier spelers in het water liggen. Wisselspelers mogen pas dan het water in, als de te verwisselen speler, in zijn geheel uit het water is. Wisselen mag alleen geschieden aan de eigen doellijn. Gaat een speler, om wat voor reden dan ook, toch ergens anders het water uit, dan moet de wisselspeler wachten totdat deze speler bij zijn eigen achterlijn is aangekomen. Pas dan mag de wisselspeler het water in. Het is toegestaan de puck met de kop van de stick, gebruikmakend van alle zijden hiervan, over de bodem te slaan, schieten, schuiven, stoten of tikken. De stick dient bij het handvat te worden vastgehouden en de scheidingsband tussen kop en handvat mag tijdens het contact met de puck niet worden overschreden (niet door de vingers, noch door de puck). Het is niet toegestaan de puck met iets anders aan te raken dan de kop van de stick. Ook is het niet toegestaan de stick, tijdens het contact met de puck, met twee handen vast te houden. Verder mag er niet opzettelijk tegen de bassinwand geschoten worden (samenspelen met de muur) vanwege eventuele tegelbeschadigingen. Het is verboden de tegenspeler te beledigen in woord en gebaar, hem vast te houden, met één of beide armen in te klemmen, te hinderen, hem te verhinderen omlaag te duiken of op te stijgen, het normaal gebruik van zwemvinnen, duikbril, snorkel en stick te beletten, hem te slaan of te duwen, tegen hem aan te zwemmen of op een andere wijze gevaarlijk spel te veroorzaken. Ook is het niet toegestaan niet-puckbezitters opzettelijk de weg te versperren. Het is verboden de puck tegen het lichaam van de tegenstander te slaan of te schieten. Bij overtredingen van bovenstaande regels zal de scheidsrechter een vrije puck geven. Wordt de overtreding echter begaan in het strafpuckgebied, dan volgt een strafpuck. Een vrije puck dient genomen te worden op de plek van de overtreding, echter nooit minder dan twee meter van een zijlijn en vijf meter van een doellijn. Na het stilleggen van het spel, legt de waterscheidsrechter de puck zo snel mogelijk op zijn plaats en geeft aan voor welke partij de puck is. Dit doet hij door met een arm te wijzen naar de doellijn van de overtreders (hij wijst dus naar de partij die de puck TEGEN krijgt). De verdedigende partij dient dan ten minste drie meter afstand te nemen van de puck (evenwijdig aan de achterlijn). Een strafpuck wordt genomen vanaf de strafpuckstip door twee aanvallers. Er mag zich slechts één verdediger in het water bevinden die de achterwand bij het doel dient aan te raken totdat de puck is aangeraakt. Een strafpuck dient te allen tijde genomen te worden, ook als de speeltijd inmiddels al verlopen is. Slaagt de verdediger er in de puck te bemachtigen en tegen de muur of buiten het 5-metergebied te spelen, dan wordt er afgefloten en wordt de wedstrijd hervat met een startpuck. Tot slot is er nog de scheidsrechterspuck. Wanneer de scheidsrechter niet kan beoordelen wie de (eerste) overtreding heeft begaan wordt het spel hervat met een scheidsrechterspuck. Beide teams dienen zich achter de puck op eigen speelhelft te bevinden. Op het startsignaal van de scheidsrechter mag iedereen naar beneden duiken. Degene die het eerst de puck bemachtigt speelt verder. Naast de vrij puck, de strafpuck en de scheidsrechterspuck hebben de scheidsrechters nog de mogelijkheid van officiële waarschuwingen en tijdstraffen (1 minuut, 2 minuten en een totale uitsluiting). Een wedstrijd wordt gewonnen door het team dat de meeste doelpunten maakt. Er is een doelpunt gescoord wanneer de puck volledig in de doelkolom (de ruimte boven de doelbak tot de bovenkant van het doel) is geweest. Wanneer een puck dus via de achterwand van de doelbak direkt weer uit de bak springt, geldt dit toch als een doelpunt. Een scheidsrechter kan in en onder water moeilijk spreken. Vandaar dat hij met handsignalen aangeeft wat er dient te gebeuren. De belangrijkste zijn: twee armen gekruist boven het hoofd: scheidsrechterspuck; met één arm wijzen naar één van de partijen (een stopteken maken): een vrije puck voor de partij waarnaar niet gewezen wordt; met arm pompende beweging maken boven het hoofd: strafpuck;met twee armen zwaaien boven het hoofd: annuleren doelpunt; met twee armen wijzen in de richting van de doelbak: doelpunt.


